Bij de koffieautomaat staat een rij. Dat gebeurt wel vaker want het ding is hemeltergend traag. Voor me staan een man. Hij heeft een bakje, het deksel van een doos printerpapier, met daarin een A4-tje met de koffiewensen van zijn collega’s. Ik kijk naar het plaatje, er staan vrolijke symbooltjes, namen en uitgebreide aanwijzingen wat te tappen voor welke naam. Hij ziet me kijken en haalt zijn schouders op.
“Iedereen wil wat anders, daarom duurt het zo lang.” Zegt hij hoofdschuddend.
“Ach ja, hoe meer keuze hoe beter.” Eigenlijk heb ik niet zoveel zin om te praten. De ochtend is vroeger dan goed voor me is, en ik wil alleen maar een bakkie koffie.
“Het was een stuk makkelijker geweest als iedereen gewoon koffie wilde.” Meteen weet ik waar dit gesprek heen gaat. Wat de man mist is een koffiejuffrouw die langs komt met een pot koffie. Ik besluit tot een shortcut.
“Er is in de moderne tijd geen ruimte meer voor de mens, een beetje persoonlijke aandacht is alles wat we willen. Maar wat krijgen we? Dertig verschillende soorten koffie, die allemaal niet lekker zijn.”
Hij kijkt me niet-begrijpend aan. Misschien wat de bocht een beetje te kort voor hem. Rustig wacht ik af of hij me bij weet te halen.
“Vroeger, in het andere gebouw, kwam er nog een koffiejuffrouw langs. Die bracht je een kop koffie, en als je er dan melk of suiker in wilde deed je dat gewoon zelf.” Hij schuift een stapje op in de rij.
“Het is een breed maatschappelijk probleem wat je nu aansnijdt,” mompel ik, “met het verdwijnen van de koffiejuffrouw is er een contactpunt verdwenen. We leven allemaal op een eiland, en proberen door mechanismen zoals jouw koffiedoos een vorm van sociale samenhang te creëren. In deze is de koffiedoos natuurlijk kwa woordspeling grappig als vervanger voor de koffiejuffrouw.” Hij probeert te lachen, maar heeft geen idee waar ik het over heb. Eerlijk gezegd weet ik het ook niet meer. De man begint met zijn eerste cappuccino met suiker.
“Tjah, met de koffiejuffrouw maakt je je een praatje. Ze wist alles over de mensen in het bedrijf.” Hij haalde het bekertje onder de automaat vandaan en zet er een nieuwe onder. Terwijl de choco-deluxe het bekertje in pruttelt zucht de man een keer. “Als er nu een kindje geboren wordt krijg je een email die aan iedereen verstuurd is. De mensen praten niet meer met elkaar.”
Ik hou mijn mond. Ik wil niet meer praten met deze meneer. Hij blijft door mijmeren over de goeie ouwe tijd. Ik negeer hem als hij een espresso, weinig melk, veel suiker, tapt en me uitlegt dat internet niks toevoegt aan onze samenleving.
“Ik heb nooit begrepen wat de lol is van Internet. De zus van mijn vrouw heeft een pagina met alle foto's van haar kleinkinderen er op. Nu hoef ik niet meer bij ze langs om te zien hoe de kinderen groeien. Ik klik het gewoon aan, je wordt er lui van.” Hij is klaar met zijn hele bestelling. Op de een of andere manier lijkt hij te wachten op een reactie van mij alsof het gewenst is dat ik nog een commentaar geef op zijn laatste statement. Ik kijk hem aan en sta doodstil te wachten tot hij in beweging komt.
“Vroeger was alles beter,” mompelt de man. Hij loopt weg met een Wiener Melange, weinig suiker en een toefje slagroom voor zichzelf.